Willie Stargell en zijn ’79 Pirates Family

Door

Dit seizoen werden de Pittsburgh Pirates roemloos laatste in de NL Central. Hun slechtste record in de MLB leverde ze wel de eerste keuze in de volgende draft op, maar of dat genoeg zal zijn om weer mee te kunnen doen om het kampioenschap valt te bezien. Hoe anders was het in 1979, toen de organisatie haar laatste World Series-overwinning behaalde. Aan de hand van ‘pops’ Willie Stargell en op het disco-ritme van Sister Sledge, verraste The Family vriend en vijand.

BILL MAZEROSKI EN ROBERTO CLEMENTE

Nadat de Pittsburgh Pirates in 1960 de World Series van de New York Yankees wonnen, dankzij de winnende ‘home run of all home runs’ van Bill Mazeroski, liepen de jaren zestig voor de organisatie uit op een fiasco. Ze bivakkeerden voornamelijk in de kelder van de toen nog divisieloze National League. Het volgende decennium zou echter een stuk succesvoller blijken te zijn. In 1971 won de ploeg, met superster Roberto Clemente nog in haar midden, opnieuw het kampioenschap.

De ervaren manager Danny Murtaugh, bezig aan zijn derde van in totaal vier dienstverbanden bij de club, had een talentvolle selectie weten te formeren om de 36-jarige Portoricaan. Behalve de toekomstige Hall of Famer waren bijna alle spelers onder de 30. De ploeg herbergde aanvallend talent in Al Oliver en drie All Stars: Clemente, catcher Manny Sanguillen en slugger Willie Stargell. Bovendien leken de jonge werpers Steve Blass en Dock Ellis een geweldige toekomst in het verschiet te hebben.

TEGENSLAG OP TEGENSLAG

De nabije toekomst bleek echter niet zo rooskleurig als verwacht en gehoopt. Nauwelijks een jaar na de gewonnen World Series kwam de geliefde superster om het leven bij een vliegtuigongeluk, terwijl hij op weg was steun te bieden aan het door een aardbeving getroffen Nicaragua. Dock Ellis en Steve Blass konden de hoge verwachtingen niet inlossen. Blass kreeg last van de ‘yips’ – door de oudere volgers nog altijd vaak als Steve Blass Syndrome of Desease genoemd – en ook Ellis bleek mentaal niet bestand tegen de druk.

Toen vervolgens manager Murtaugh in 1976 ook nog overleed, moest zijn opvolger Chuck Tanner nagenoeg weer vanaf nul beginnen. Van de kampioenen uit ’71 restte hem eigenlijk alleen nog maar Stargell en ook bij hem leken de jaren te beginnen tellen. Blessureleed en persoonlijke problemen hielden hem meer wedstrijden aan de kant dan dat hij op het veld stond. Toch zou hij de hoeksteen vormen waarop het volgende succes gestoeld zou zijn.

STARGELL

Na een redelijk begin van zijn carrière waren de verwachtingen omtrent Willie Stargell hooggespannen. Twee mindere seizoenen in ‘67 en ‘68 leken echter al snel het einde van zijn honkbalbestaan in te luiden. Stargell was geen al te beste outfielder, worstelde met zijn gewicht en misschien mede daardoor ook met blessures. Dankzij Clemente kwam aan dat alles in 1969 een einde. De Portoricaan adviseerde hem een zwaardere knuppel te gebruiken.

Hall of Famer Willie Stargell overleed in 2001 op 61-jarige leeftijd.

De slugger nam het advies over en plots vielen alle puzzelstukken op hun plaats. Waar de meeste spelers zien dat hun cijfers vanaf hun dertigste omlaag gaan, bloeide Stargell helemaal op. Hij groeide uit tot één van de meest gevreesde power hitters – om pitchers te intimideren stapte Stargell soms niet met een knuppel, maar met een sloophamer de on deck circle in – van de zeventiger jaren. Ook de verhuizing van de organisatie van Forbes Field naar het kleinere Three Rivers Stadium deed zijn statistieken meer dan goed.

VERSNELD VOLWASSEN

Stargell was mentaal gehard door zijn tijd in de minors. Het waren de dagen dat de wetten in de zuidelijke staten nog geen gelijkheid voorschreven. Daar waren de zogenaamde Jim Crow-wetten namelijk nog van kracht. Zo kon het dat Stargell en zijn zwarte collega’s niet in de hotels sliepen bij hun witte teamgenoten, maar bij mensen die bereid waren hen in huis te nemen. Sommige nachten sliepen zij zelfs noodgedwongen in de buitenlucht. Op een dag, terwijl Stargell richting het stadion liep, drukte een man een geweer tegen zijn neus en dreigde hem overhoop te schieten als hij het lef zou hebben die avond te spelen. Stargell stapte toch het veld op en werd naar eigen zeggen van het één op het andere moment volwassen.

VALLEN EN WEER OPKRABBELEN

Halverwege het decennium sloeg het noodlot weer toe. De vrouw van Willie kreeg een hersenbloeding en lag weken in coma. De speler nam haar verzorging op zich en kon zich maar moeilijk concentreren op het honkbal. Tel daarbij nog enkele blessures op en er waren zomaar twee jaar voorbij waarin hij weinig kon bijdragen op het veld. Beide jaren moest de de organisatie toekijken hoe de Philadelphia Phillies met de divisietitel ervandoor gingen. Datzelfde gold ook voor het seizoen van 1978, maar dat jaar liet Stargell weer flitsen van zijn oude vorm zien. Hij werd uitgeroepen tot Comeback Player of the Year, maar een seizoen later zou hij pas echt de kroon op die terugkeer plaatsen. Zijn uitverkiezing tot MVP had hij waarschijnlijk voor een deel te danken aan zijn gehele oeuvre, want op basis van de moderne statistieken mag je er best wat vraagtekens bij zetten, maar hij was een onbetwiste drijfveer achter het succes van de ploeg in 1979.

He didn’t just hit pitchers. He took away their dignity.

Los Angeles Dodgers-manager Don Sutton

HEETHOOFDEN EN DRIFTKIKKERS

Het begin van dat seizoen was nog alles behalve florissant te noemen, maar rond de All Star Game kwam de ploeg op stoom. Op 14 juni werd de grens van de .500 doorbroken en men zou niet meer achterom kijken. Tweedehonkman Tim Foli was een start plug voor de opleving. Het driftkikkertje kwam een jaar eerder nota bene nog uit voor het team waarmee de Pirates tot het eind van het seizoen in een hevige strijd om de divisie verwikkeld zouden blijven, de Montreal Expos. De Canadezen zullen met lede ogen hebben aangezien welke rol hun oud-speler vervulde bij de directe concurrent .

Ook de komst van Mad Dog Bill Madlock en pitcher Dave Roberts pakte goed uit. Madlock was bij de San Francisco Giants op het tweede honk terechtgekomen, maar voelde zich daar niet op zijn plek. Een terugkeer naar de hot corner in Pittsburgh kwam zijn spel ten goede. Scrap Iron Phil Garner stond tussen Madlock en Foli in. Daarmee telde het binnenveld van de Bucs een trio heethoofden, maar gezamenlijk vormden ze wel een infield zo soepel en vloeiend als dure rode wijn.

DAVE PARKER

De grote man, naast nestor Stargell, was echter Dave Parker. Gedurende de mindere jaren van hun grote ster, was Parker opgestaan als zijn waardige opvolger. Wat dat betreft was zijn opkomst te vergelijken met de manier waarop Stargell zelf ooit uit de schaduw van de grote Roberto Clemente was gestapt, op weg naar de World Series-ring in 1971. Parker mocht achteraf met een bWAR van 6,7 zelfs beduidend meer aanspraak maken op de MVP Award dat jaar dan zijn oudere teamgenoot (de bWAR van Stargell bedroeg slechts een schamele 2,5).

WE ARE FAMILY

Naast een geweldige defensieve ploeg en enkele angstaanjagende slagmannen beschikte de ploeg ook over een paar prima werpers. De bekendste naam is die van onze landgenoot Bert Blyleven. De geboren Zeister, die in 2011 werd toegelaten tot de Hall of Fame, was pas 28 jaar oud, maar had er al een heel honkballeven in Minnesota opzitten. Aan zijn zijde bevonden zich nog een paar werpers aan de goede kant van de 30 in John Candelaria (25), Don Robinson (22) en Bruce Kison (29), een van de weinige Pirates die er ook al in ‘71 bij was geweest. De enige oude arm in de rotatie was meteen de zwakke schakel gedurende het reguliere seizoen, Jim Rooker. Die herpakte zich echter in de playoffs door de belangrijke Game 5 in de World Series te winnen.

Er ontstond gedurende het seizoen een speciale band tussen de spelers. Het voelde bijna als een familie. Om die reden werd het eerder genoemde nummer ‘We are family’ van Sister Sledge als een officieus clublied aangenomen. De klanken van deze disco-hit vormden de perfecte soundtrack voor hun jacht op succes. Binnen de groep bestond er geen twijfel meer, na 8 jaar zou de World series-titel weer naar Pittsburgh komen.

BIG RED MACHINE

Om in die World Series terecht te komen moesten de Pirates in de NLCS eerst nog wel even afrekenen met de Big Red Machine. De Cincinnati Reds, die de National League de jaren ervoor met ijzeren hand geregeerd hadden, werden met een sweap aan de kant gezet. De serie was echter een stuk spannender dan het resultaat doet vermoeden. Zowel Game 1 als het tweede duel werd pas in extra innings beslist. In de laatste wedstrijd was het verzet gebroken en konden de Bucs uitlopen naar een eenvoudige 7-1 zege.

De sterke slagploeg van de Cincinnati Reds verwierf de bijnaam ‘Great Eight’. (Sports Illustrated)

REMATCH VAN ’71

In de World Series wachtte dezelfde tegenstander als in die eerder al zo succesvol verlopen Fall Classic van ‘71. De Baltimore Orioles beschikten over uitmuntende slagmannen als een jonge Eddy Murray en MVP-kandidaat Ken Singleton, sterke pitchers in Mike Flanagan en Dennis Martinez, maar vooral de bullpen joeg schrik aan. Closer Don Stanhouse en zijn kompanen Tim Stoddard, Tippy Martinez en Dave Ford hadden meer dan eens hun ploeg aan de overwinning geholpen.

De Birds begonnen ijzersterk aan de serie. Na vier wedstrijden hadden ze een comfortabele 3-1 voorsprong en leken ze op weg hun revanche te krijgen. Het liep helemaal anders. In Game 5 had er nog geen vuiltje aan de lucht geleken. Aanvallend had Baltimore nog niet veel hoeven laten zien en toch stond men na 5 innings met 1-0 voor. Het was de gevreesde bullpen die het op dat moment echter zwaar te verduren kreeg. Tim Foli was met een triple en drie RBI’s de grote man in de resterende slagbeurten, waarin de Pirates nog zeven keer wisten te scoren.

STARGELL DE GROTE MAN

Game 6 was van eenzelfde laken een pak. Weer sloeg Pittsburgh laat in de wedstrijd toe. Ditmaal koos O’s-manager Earl Weaver er juist te laat voor om zijn pitcher Jim Palmer af te lossen. In de zevende en achtste inning was bij hem de tank zowat leeg en liepen Stargell en co uit naar een 4-0 overwinning. Ondertussen kreeg de slagploeg van Baltimore geen grip op startend werper John Candelaria en Kent Tekulve. Voor beide pitchers was het zoete wraak na nederlagen in eerdere wedstrijden.

In de zevende wedstrijd van de serie stuurde Pirates-manager Chuck Tanner werper Grant Jackson de heuvel op. Jackson had 8 jaar eerder nog in de andere dugout gezeten, maar nu trok hij met de Pirates wel aan het langste eind. Weer bleken de werper van Pittsburgh een belangrijke sta-in-de-weg, maar Stargell was de ster van de show. Met twee doubles en een homerun had hij een aanzienlijk aandeel in de zege. Het leverde hem de MVP van de World Series op. Na die van het reguliere seizoen en die van de NLCS al zijn derde MVP Award van het seizoen.

PITTSBURGH DRUG TRIALS

Het zou voorlopig het laatste grote succes van de Pittsburgh Pirates zijn. Ondanks de aanwezigheid van enkele MVP’s als Barry Bonds en Andrew McCutchen slaagde de ploeg er nooit meer in de World Series te bereiken. De kampioenen van ’79 wachten dus al ruim 40 jaar op hun opvolging. Enkele jaren na het kampioenschap kwam er bovendien een licht smetje op deze zege: de Pittsburgh Drug Trials. Er bleek op grote schaal drugs te worden gebruikt in het professionele honkbal en ook enkele Pirates werden beschuldigd. Parker, Stargell, John Milner, Rod Scurry en Yogi Berra’s zoon Dale werden beschuldigd van het gebruiken en/of distribueren van amfetaminetabletten. Een opvallende beschuldigde was de man in het kostuum van Pirate Parrot, Kevin Koch.

Willie Stargell zal een volgend kampioenschap helaas niet meer meemaken. Hij overleed in 2001 op 61-jarige leeftijd. Op dat moment was hij al wel vereeuwigd in Cooperstown. In 1988 mocht hij zich daar bij zijn oude strijdmakker Clemente voegen.

Coverfoto: Associated Press

Reageer op dit artikel

Je mailadres komt niet op de site te staan.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Ook leuk om te lezen