Kris Bryant, Super Two

Service time & Super Two: een opfriscursus

Door

Kris Bryant, Super Two

Elk seizoen rond deze tijd duiken er in de Amerikaanse honkbalwereld een paar termen iets hardnekkiger op dan normaal: prospects, service time en Super Two. Het is bijna juni, de namen van talentvolle Minor Leaguers vliegen ons om de oren en elke honkballiefhebber vraagt zich af wanneer we the next big thing op het hoogste toneel kunnen bewonderen. Waarom ze er nog niet zijn? Het antwoord heeft alles te maken met contracten en salarissen. Het heeft alles te maken met service time en Super Two. Deze wat wazige constructie zorgt elk jaar voor veel onduidelijkheid, dus bij dezen: een Super Two-opfriscursus.

Service time
Laten we bij het begin beginnen: servicetijd. Een normaal Major League-seizoen bestaat uit 183 ‘werkdagen’ (service days): 162 wedstrijden en 21 vrije dagen (play-offs blijven buiten beschouwing). Een speler verzamelt service time voor elke dag die hij op het 25-man roster doorbrengt. Major League Baseball beschouwt 172 dagen in een seizoen als een volledig jaar.

Tot zover het voorbereidende gedeelte van de berekening.

De eerste zes jaar die een gedrafte speler in een organisatie doorbrengt, is hij exclusief eigendom van dat team. Gedurende die zes jaar komt de speler niet in aanmerking voor Free Agent-status. Pas wanneer zijn status zes jaar en nul dagen aan service time bereikt (geschreven als 6.000 voor Jaren.Dagen), verliest de organisatie de exclusieve rechten op de speler, wordt de speler Free Agent en kan hij een contract tekenen bij elk willekeurig team dat hem een aanbod doet.

De salarisstructuur in die eerste zes jaar is meestal als volgt: drie jaar minimumsalaris ($507.500 in 2016), gevolgd door drie jaar salary arbitration, waarin spelers en teams na elk seizoen gezamenlijk tot een nieuw contract met een league-gemiddelde salarisverhoging proberen te komen (indien dit niet lukt, wordt een onafhankelijke arbiter ingeschakeld). Na drie jaar minimum en drie jaar arbitration, bereikt de speler Free Agency en kan het grote verdienen beginnen. Uiteraard mogen team en speler tussentijds besluiten tot het openbreken en verlengen van een contract, maar dat staat los van deze opfriscursus.

Laten we (verzonnen) super-prospect Riley Jackson als voorbeeld nemen.

Jackson begint 2016 op het 25-man roster van de New York Mets. Op 29 mei 2016 heeft hij dus 0.056 servicedagen gespaard (0jaar.56dagen). Er vanuit gaand dat Jackson een succesvol rookieseizoen doormaakt en de rest van het seizoen in de Major League speelt, bereikt hij in september de 172 servicedagen waarmee hij zijn stempelkaart voor een heel seizoen vol maakt. Zonder tussentijdse contractverlenging zien Jacksons komende zes jaar er dan als volgt uit:

2017
Service time: 1.000. Contract: minimum (afhankelijk van prestaties misschien een kleine verhoging).

2018
Service time: 2.000. Contract: minimum (afhankelijk van prestaties misschien een iets grotere verhoging).

2019
Service time: 3.000. Contract: arbitration, jaar 1. Salarisverhoging naar (bijvoorbeeld) $3 miljoen.

2020
Service time: 4.000. Contract: arbitration, jaar 2. Salarisverhoging naar (bijvoorbeeld) $6 miljoen.

2021
Service time: 5.000. Contract: arbitration, jaar 3. Salarisverhoging naar (bijvoorbeeld) $9 miljoen.

2022
Service time: 6.000. Contract: Free Agent.

Simpel, nietwaar? Toch willen de meeste teams natuurlijk graag een goedkoop zevende seizoen uit hun spelers persen. Door een paar weken of maanden te wachten met het oproepen van een speler, is dit mogelijk. Er zijn twee periodes in het seizoen waarbij servicetijdtrucs om de hoek komen kijken.

April
In 2015 zagen we de kwestie van Kris Bryant bij de Cubs. Bryant speelde uitstekend in het voorseizoen en had zonder twijfel zijn plekje op het Opening Day 25-man roster van de Cubs verdiend. De Cubs wachtten echter ruim twee weken met het promoveren van Bryant naar de Major League. Het gevolg: Bryant verzamelde in 2015 precies 0.171 dagen aan service time, oftewel één dag te weinig voor een volledig jaar. Op deze manier konden de Cubs bijna een heel seizoen over de jonge derdehonkman beschikken, maar begon zijn serviceklok pas te tikken aan het begin van het huidige seizoen in 2016.

Deze truc gaat de Cubs op de lange termijn een enorme hoeveelheid geld schelen, maar ja: fans willen de beste spelers zien, ook als het zakelijk gezien niet logisch is. Het publieke debat dat losbarstte en de mediastorm die de keuze losmaakte, nam de club voor lief. Business is business. Dezelfde truc is ooit door de Tigers met Rick Porcello uitgehaald: Porcello eindigde zijn zesde seizoen in de Major League met een servicetijd van 5.170.

Neem als contra-voorbeeld Jason Heyward. In 2010 plaatsten de Atlanta Braves Heyward aan het begin van het seizoen op hun 25-man roster. Na vijf jaar met de Braves en één seizoen met de Cardinals, bereikte Heywards serviceklok 6.000. Op 26-jarige leeftijd werd Heyward een Free Agent en tekende hij een achtjarig contract ter waarde van $184 miljoen bij de Cubs.

Als de Braves hem in 2010 een paar weken langer in de minor leagues hadden gelaten voordat ze hem naar de major league haalden, zou hij aan het eind van het vorig seizoen ongeveer 5.171 aan servicetijd hebben opgebouwd en zouden de Cardinals nog een jaar (en tegen een veel vriendelijkere prijs) over zijn talent hebben kunnen beschikken.

Juni
Dan nu: Super Two. Wat houdt Super Two eigenlijk in? Simpel: van de spelers die tussen de 2.000 en 3.000 aan servicetijd hebben opgebouwd, krijgt de 22% met de meeste servicetijd elke winter een extra (vierde) jaar aan arbitration, dat in de plaats komt van het derde jaar minimumsalaris. Dit heet de Super Two exception, oftewel de Super Two-uitzondering. Deze uitzondering is geïnstalleerd voor de spelers. Clubs proberen dus zoveel mogelijk hun spelers uit die bovenste 22% te houden, want dat kost ze geld. Een recent voorbeeld van deze praktijken is Pittsburgh’s Gregory Polanco, die door de Pirates tot mid-juni 2014 in Triple-A gehouden werd om hem geen Super Two-status te laten behalen.

De grens wie binnen of buiten die 22% valt, wordt niet bepaald aan de hand van een specifieke datum, maar aan de hand van een reeks dagen. De afgelopen zes jaar lag de Super Two-grens altijd boven de 2.120 (2 jaar en 120 dagen servicetijd). Dit betekent dat teams de Super Two-status van hun prospects kunnen mishouden wanneer ze de speler tenminste 63 dagen in de minor leagues houden, voordat ze hun jonge talenten naar de major league halen. Dit jaar valt deze grens van 63 dagen rond 5 juni 2016.

Bekende spelers die afgelopen jaar Super Two-status bereikten: Jurickson Profar (2.167), Didi Gregorius (2.159), Chris Archer (2.156), Nolan Arenado (2.155), Kole Calhoun (2.130), Arodys Vizcaino (2.168) en Anthony Rendon (2.130). Deze spelers zijn alle van een (potentieel) niveau dat ze in arbitration substantieel meer geld zouden kunnen gaan verdienen, dus hun Super Two-status kost hun clubs geld.

Mocht je je dus afvragen waarom de Astros derdehonkman Alex Bregman nog niet opgeroepen hebben, waarom Jameson Taillon van de Pirates nog steeds in de Minor Leagues speelt of waarom we Trea Turner nog niet in Washington hebben zien spelen: het antwoord is Super Two.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van Fangraphs Super Two pagina, Stephen J. Nesbitt’s column ‘SuperTwo and You’, MLBTR’s ‘List of Super Two qualifiers’ en de FAQ-pagina van Major League Baseball’s Player Association.

 

3 Reacties
  1. Wouter van Willigen 4 jaar ago

    Wow. Maak stukje info. DANK 🙂

    • Jasper Roos 4 jaar ago

      Graag gedaan en bedankt!

  2. Wouter van Willigen 4 jaar ago

    maak = mooi

Comments are closed.

Ook leuk om te lezen